Prinsjesdag 2019

Wed, 09 Oct 2019

Aandachtspunten voor de directeur-groot aandeelhouder (dga) en vermogende particulier

 

Op Prinsjesdag heeft minister van Financiën Hoekstra de belastingplannen van het kabinet gepresenteerd. We hebben voor u een selectie gemaakt van enkele belangrijke wijzigingen en plannen. Tevens geven we enkele aandachtspunten.

Tarief box 1

Het aantal tariefschijven in box 1 wordt eerder dan gepland stapsgewijs afgebouwd van 4 naar 2. Het tarief van de eerste schijf zal in 2020 37,35% bedragen en in 2021 37,10%. Het tarief in de tweede schijf zal gelden voor inkomens van meer dan € 68.507 en bedraagt voor 2020 49,5%. De verlaging van deze tarieven brengt een belastingvoordeel met zich mee, maar paktnadelig uit voor eventuele aftrekposten. Deze aftrekposten zullen ook nog eens extra worden ingeperkt. Zie verder.

De aanpassing van de schijven kan voor de dga reden zijn de inkomenspolitiek (de verhouding ontvangen salaris en dividend uit zijn BV) aan te passen.

Beperking aftrek eigen woning en overige aftrekposten

De maximale aftrek van de kosten van de eigen woning (voornamelijk hypotheekrente) wordt sinds 2014 al met stappen van 0,5% verlaagd. Met ingang van 2020 zal dit proces fors worden versneld en wordt deze aftrek jaarlijks met 3% verlaagd tot een niveau van 37,05% in 2023.

Ook het maximale tarief waartegen andere aftrekposten fiscaal in mindering kunnen worden gebracht wordt met ingang van 2020 sterk verminderd. Denk hierbij aan ondernemersaftrek, giften of partneralimentatie. In 2023 bedraagt ook hier het maximale tarief voor aftrek 37,05%.

Gezien bovenstaande kan worden overwogen aftrekbare kosten naar voren te halen. Zo kan een hoge hypotheekrente bij de bank worden overgesloten naar de huidige lage  rente. De boeterente (de contante waarde van het verschil tussen marktrente en contractrente over de resterende rentevastperiode) kan dan toch tegen een hoger tarief worden afgetrokken. Ook zou het interessant kunnen zijn het gesprek met de ex-partner aan te gaan om de periodieke partneralimentatie in één bedrag af te kopen. Deze afkoopsom is in het jaar van betaling aftrekbaar.

Verlaging Eigen woningforfait, maar niet voor het dure segment woningen

Eerder is al aangekondigd dat de aftrek wegens geen of geringe eigen woningschuld (Wet Hillen) over een periode van 30 jaar wordt afgeschaft. De Wet Hillen maakte het vaak interessant om de eigen woningschuld (nagenoeg) geheel af te lossen. Per saldo hoefde het eigen woningforfait niet bij het inkomen te worden geteld.

Ter compensatie voor de afschaffing van de wet Hillen wordt het eigen woningforfait met ingang van 2020 stapsgewijs verlaagd van 0,6% naar 0,45% van de WOZ waarde in 2023. Dit geldt echter niet voor panden met een WOZ waarde van meer dan € 1.060.000! Het forfait over de waarde boven de € 1.060.000 blijft namelijk onveranderd staan op 2,35%, ook wel ‘villa-taks’ genoemd.

Let op! De maximale hypotheekrenteaftrek daalt, maar voor de bijtelling van het eigenwoningforfait geldt dat niet. Er is sprake van het maximale tarief van 51,75% (vanaf 2020: 49,50%).

Box 3 in 2020

De belastingheffing in box 3 wijzigt in 2020 nagenoeg niet. Het tarief blijft 30%. De vrijstelling wordt licht verhoogd en per 1 januari 2020 wordt het forfaitaire rendement in box 3 weer aangepast om beter aan te sluiten bij het werkelijke rendement. In de huidige box 3 systematiek wordt verondersteld dat bij een minder hoog vermogen meer wordt gespaard en bij hogere vermogens meer wordt belegd. Dit laatste zou tot hogere rendementen leiden. Het behoeft geen uitleg dat deze systematiek op veel kritiek stuit.

box 3 vermogen

forfaitair rendement

effectief rendement

€ 30.846 - € 103.825

1,80%

0,54%

€ 103.825 - € 1.036.418

4,22%

1,266%

> € 1.036.418

5,33%

1,599%

 

In bovenstaande tabel is te zien dat de hogere box 3 vermogens zwaarder worden belast. Bij laag renderende privé vermogens (bijv. spaargelden en obligaties) is het dan ook nog steeds aantrekkelijk om voor de peildatum dit vermogen bijvoorbeeld als kapitaal te storten in de BV. Hiermee wordt de belastingdruk fors verminderd.

Voorstel aanpassing box 3 in 2022

Spaarders betalen, zeker met de lage rentestand van dit moment, onevenredig veel belasting. Dit is reden voor het kabinet box 3 te willen hervormen per 2022. Zo moet de belastingheffing in box 3 beter aansluiten bij de daadwerkelijke rendementen die een belastingplichtige realiseert over zijn spaargeld. Vanaf 2022 zal eerst naar de samenstelling van het vermogen worden gekeken. Wederom wordt niet uitgegaan van het werkelijke rendement, maar van het fictief inkomen op vermogen. Spaargeld heeft een verondersteld rendement van 0,09% en alle overige bezittingen kennen een fictief rendement van 5,33%. Schulden verminderen het fictieve inkomen met 3,03%.

In plaats van een heffingsvrij vermogen van € 30.846 geldt een heffingsvrij inkomen van € 400. Het tarief in box 3 gaat van 30% naar 33%.

Enkele op- en aanmerkingen:

  • Het betreft nog slechts een plan. Een concreet wetsvoorstel is er nog niet!
  • In dit plan gaan spaarders met de huidige spaarrente tot zo’n € 440.000 spaargeld geen belasting betalen;
  • Tot het invoeren van dit plan is een Spaar BV nog steeds interessant voor laag renderende privé vermogens;
  • Beleggers gaan juist meer belasting betalen. Ook een defensieve belegger, welke grotendeels in laag renderende obligaties is belegd. Dit kan leiden tot het nemen van meer risico, dan wel het (rond de peildata) omzetten van beleggingen naar spaargeld;
  • Beleggen met geleend geld wordt fiscaal minder interessant.

Verlaging Vennootschapsbelasting (Vpb)

De tarieven in de Vpb zullen in stappen worden verlaagd.

2019

2020

2021

€ 0 - € 200.000

19,00%

16,50%

15,00%

> € 200.000

25,00%

25,00%

21,70%

 

Het beleggen van de vrije middelen in de BV is zeker voor de grotere vermogens vaak een betere optie dan dividend uitkeren en beleggen in privé. Pas bij een rendement van 6% of meer pakt dit beter uit.

Daarnaast zal de variant beleggen in privé met geleend geld van de BV met de komst van voorgestelde wetgeving naar alle waarschijnlijkheid worden beperkt. Denk hierbij aan de plannen voor fiscale maatregelen voor schulden in box 2 en box 3.

Verhoging Aanmerkelijk Belang (AB)

Tegenover de verlaging van de Vpb staat voor de dga een verhoging van het AB over uitgekeerde dividenden. Het tarief wordt in twee stappen verhoogd van 25% nu naar 26,9% in 2021.

De verlaging van de Vpb in combinatie met de verhoging van het AB leidt tot een gecombineerde belastingdruk zoals te zien in onderstaande tabel.

gecombineerde belastingdruk

2019

2020

2021

bij winst tot € 200.000

39,25%

38,42%

37,87%

bij winst vanaf € 200.000

43,75%

44,69%

42,76%

 

Let op! Ook winsten welke in eerdere jaren tegen de hogere Vpb zijn belast en toegevoegd aan de winstreserve worden als dividend tegen het hogere AB tarief belast. Er is geen overgangsregeling. Dit leidt tot een hogere gecombineerde belastingdruk dan in de bovenstaande tabel. Het kan dan ook een overweging zijn om dit jaar nog een dividenduitkering te doen. Hiermee kan bijvoorbeeld de (eigen woning) schuld bij de BV worden afgelost, zie verder.

Ook komt de hypotheek van de BV in een ander daglicht te staan. Voorheen werd door de dga vaak gekozen om gelden van de BV te lenen voor de aankoop van een eigen woning. De maximale aftrek was 52% in privé en de ontvangen rente in de BV tegen 40% belast (gecombineerde belastingdruk). De fiscus betaalde dus 12% mee aan deze opzet. Dit voordeel zal in de loop der tijd een nadeel worden en maakt alternatieven interessanter. De hypotheekrente wordt immers tegen een lager tarief aftrekbaar, dan waarvoor deze in de BV wordt belast.

 

 

Schulden bij de eigen BV

In 2018 deed het kabinet al een voorstel om met ingang van 2022 te komen met wetgeving voor leningen bij de eigen BV. Het is het kabinet een doorn in het oog dat dga’s middels leningen van de BV de belastingheffing in box 2 langdurig kunnen uitstellen en soms zelfs afstellen. Leningen die hoger zijn dan € 500.000 worden vanaf 2022 dan waarschijnlijk als winstuitkering belast in box 2. De kwalificatie van de lening verandert civielrechtelijk overigens niet door deze fiscale maatregel. De lening blijft daarmee gewoon op de balans staan van de vennootschap. De rente- en aflossingsverplichtingen blijven eveneens van kracht. De schuld verlaagt de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen van de aanmerkelijkbelanghouder. Dit alles verandert niet door deze maatregel. Er is alleen voor de eigen woning schulden een overgangsmaatregel. Daarbij geldt dat voor eigen woning schulden die worden aangegaan na 31 december 2021, een recht van hypotheek moet worden verstrekt. Hiervoor is een gang naar de notaris noodzakelijk. Ook schulden aan partners en kinderen worden voor de beoordeling of de dga meer dan € 500.000 schuld aan zijn BV heeft meegenomen. De verwachting is dat het ministerie in het vierde kwartaal van 2019 komt met een concreet wetsvoorstel.

Enkele aandachtspunten:

  • Ook is hier is nog geen sprake van concrete wetgeving!;
  • Er lijkt niet voorzien in een overgangsmaatregel en het is al snel 2022. Probeer tijdig voor te sorteren;
  • Zo kan het in het licht van een stijgende box 2 heffing nu al zinvol zijn een dividenduitkering te doen om de schulden (deels) af te lossen;
  • Beleggen met geleend geld wordt minder interessant;
  • Wordt belegd met geleend geld van de BV, dan kan het zinvol zijn de beleggingen alvast over te hevelen naar de BV en hiermee de schuld in te perken. Zo beperk je het risico dat je kort voor 2022 wordt geconfronteerd met een forse correctie op de beleggingen en een gelijkblijvende schuld;
  • Als wordt gekozen voor een herfinanciering bij de bank, dan dient rekening te worden gehouden met de plannen in box 3 voor wat betreft de fiscale behandeling van schulden.

 

Peter Seuren

Partner Family Capital Trust