Van BV-vlucht naar box 3-realiteit: waarom overhevelen uit privé zijn glans heeft verloren
Jarenlang was het bijna een automatisme bij vermogende particulieren: wie spaargeld of laagrenderende beleggingen had die in box 3 als ‘overige bezittingen’ werden belast, keek al snel naar de BV als veilige haven. De reden was helder. Het forfaitaire rendement in box 3 sloot vaak slecht aan bij de werkelijkheid en de belastingdruk liep daardoor fors op. Met de invoering van de tegenbewijsregeling en de contouren van het nieuwe box 3-stelsel is dat speelveld fundamenteel veranderd. De BV-route is daarmee in veel gevallen voor box 3 vermogen niet langer fiscaal aantrekkelijk.
Tot en met 2022 werd box 3 gekenmerkt door een systeem waarin het forfaitaire rendement weinig oog had voor het daadwerkelijk behaalde resultaat. Zeker bij beleggingen met een relatief laag of wisselende rendementen kon de heffing fors uitpakken. Het onderbrengen van deze vermogensbestanddelen in een BV leidde dan vaak tot een lagere jaarlijkse heffing.
Met de Overbruggingswet box 3 (2023–2027) is gekozen voor de forfaitaire spaarvariant. Vermogen wordt verdeeld in banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Voor overige bezittingen bedraagt het forfait in 2026 6%. Bij een box 3-tarief van 36% resulteert dit in een heffing van 2,16%. Dankzij de tegenbewijsregeling wordt echter het werkelijke rendement op het totale privévermogen belast indien dit lager is.
Hierdoor is box 3 in veel situaties milder dan de gecombineerde belastingdruk in de BV. Bij hogere rendementen daalt de effectieve belastingdruk zelfs aanzienlijk, terwijl bij lagere rendementen wordt aangesloten bij de realiteit.
De BV kent een dubbele heffing: eerst vennootschapsbelasting en vervolgens aanmerkelijkbelangheffing. Zelfs bij de laagste tarieven begint de gecombineerde belastingdruk al bij 38,85% en kan oplopen tot 48,80%. Dat is beduidend hoger dan de belastingdruk in box 3.
Daar komt bij dat latente belastingclaims in de BV meegroeien met het rendement. Uitstel van belastingheffing betekent daarom geen structureel voordeel. Voor vastgoed geldt bovendien dat overdrachtsbelasting een behoorlijke drempel vormt.
Met de komst van het nieuwe wetsvoorstel in (naar verwachting 2028) verdwijnt de tegenbewijsregeling en is de keuze voor een forfaitaire heffing niet meer mogelijk. Op basis van de tarieven lijkt box 3 dan nog steeds interessanter dan privévermogen onderbrengen in de BV.
De conclusie is helder. Door de tegenbewijsregeling heeft box 3 zijn scherpste randjes verloren. Het overhevelen van spaargelden en beleggingen vanuit privé naar de BV is in de meeste gevallen fiscaal niet langer interessant. Oude structuren verdienen daarom heroverweging!
Peter Seuren
Partner Family Capital Trust