Box 3: de plannen van het kabinet en de gevolgen

Thu, 14 Nov 2019

Box 3: de plannen van het kabinet en de gevolgen

Het kabinet lanceerde met Prinsjesdag plannen voor een nieuwe box 3 heffing. Welke veranderingen komen eraan en wat zijn de gevolgen ervan? Ik sluit het artikel af met enkele conclusies en aanbevelingen.

Het huidige stelsel

In de huidige box 3 systematiek wordt verondersteld dat bij een minder hoog vermogen in privé meer wordt gespaard en bij hogere vermogens meer wordt belegd. Dit laatste zou tot hogere rendementen moeten leiden.

Deze fictieve rendementen -ongeacht of deze behaald zijn- worden belast tegen een heffing van 30%. In 2020 zijn de forfaitaire rendementen en daaruit afgeleide belastingdruk als volgt:

Box 3 vermogen fictief rendement  belastingdruk
€ 0 - € 30.846 - -
€ 30.846 - € 103.825 1,80% 0,54%
€ 103.825 - € 1.036.418 4,22% 1,266%
> € 1.036.418 5,33% 1,599%

Het behoeft geen uitleg dat deze systematiek -zeker gezien de zeer lage spaarrente- op veel kritiek stuit.

De plannen

Deze kritiek is reden voor het kabinet om de heffing in box 3 te willen hervormen per 2022. Zo moet de belastingheffing in box 3 beter aansluiten bij de daadwerkelijke rendementen die een belastingplichtige realiseert over zijn spaargeld. Vanaf 2022 zal eerst naar de samenstelling van het privévermogen worden gekeken. Wederom wordt niet uitgegaan van het werkelijke rendement, maar van het fictief inkomen op vermogen. Spaargeld heeft een verondersteld rendement van 0,09% en alle overige bezittingen kennen een fictief rendement van 5,33%. Schulden verminderen het fictieve inkomen met 3,03%.

In plaats van een heffingsvrij vermogen van € 30.846 geldt een heffingsvrij inkomen van € 400. Het tarief in box 3 gaat van 30% naar 33%.

Consequenties

Onderstaand zetten we voor u op een rij wat de verschillen zijn tussen de huidige systematiek en de plannen. Vervolgens sluit ik af met conclusies en aanbevelingen.

Voorbeeld: de spaarder

Stel, u heeft € 1.000.000 spaargeld in privé. In de huidige systematiek betaalt u € 11.749 aan box 3 heffing. In de plannen zou dit nog € 165 zijn. De spaarder zal in de nieuwe systematiek aanzienlijk minder belasting gaan betalen. Let wel! Er wordt uitgegaan van de huidige lage rente. Mocht de spaarrente, en daarmee het gekoppelde rendement in box 3 voor sparen- stijgen dan stijgt de belastingdruk mee.

Voorbeeld: de belegger

Stel, u heeft € 1.000.000 belegd. In de huidige systematiek betaalt u eveneens € 11.749 aan box 3 heffing. In de plannen bedraagt dit € 17.457, ofwel bijna € 6.000 meer. Dit heeft te maken met het feit dat uitgegaan wordt van een fictief rendement van 5,33%. Dit ongeacht het werkelijk behaalde rendement. Voor het behalen van een rendement van 5,33% is echter een behoorlijk risico nodig, hetgeen niet bij alle beleggers past. Denk bijvoorbeeld aan de obligatiebelegger.

Voorbeeld: beleggen met geleend geld

In het huidige stelsel werden de schulden in mindering gebracht op het vermogen, en daarmee de grondslag voor box 3. In de plannen wordt echter uitgegaan van een negatief fictief rendement van 3,03%. Dit terwijl het beleggen zelf een fictief inkomen kennen van 5,33%.

Stel, dat er € 1.000.000 is belegd en € 500.000 is geleend. In het huidige stelsel bedraagt de box 3 heffing € 5.414. In de plannen bedraagt dit € 12.458, ofwel ruim € 7.000 meer.

DGA’s die lenen van de BV krijgen mogelijk ook nog te maken met het voorstel excessief lenen van de BV. Dit maakt lenen van de BV voor beleggen minder aantrekkelijk.

Conclusie en aanbevelingen

  • Het betreft nog slechts een plan. Een concreet wetsvoorstel is er nog niet!
  • In dit plan gaan spaarders met de huidige spaarrente aanzienlijk minder belasting betalen;
  • Tot het invoeren van dit plan is een Spaar BV nog steeds interessant voor laag renderende privévermogens;
  • Beleggers gaan juist meer belasting betalen. Ook een defensieve belegger, welke bijvoorbeeld grotendeels in laag renderende obligaties is belegd. Dit kan leiden tot het nemen van meer risico, of het (rond de peildata) omzetten van beleggingen naar spaargeld;
  • Mogelijk biedt de Spaar BV in de plannen dan ook nog steeds mogelijkheden voor laag renderende beleggingen, niet zijnde spaargeld;
  • Beleggen met geleend geld wordt fiscaal aanzienlijk minder interessant;
  • Voor de DGA’s is ook het voorstel excessief lenen van de BV van belang, welke lenen van de BV verder minder aantrekkelijk maakt.

Voor onze relaties zullen wij vanzelfsprekend per situatie de best passende structuur bespreken en uitwerken. Hierin nemen we natuurlijk ook gerelateerde onderwerpen mee die voor dit artikel te ver gaan, zoals onder andere:

  • De familiehypotheek (vordering ouders hoger belast, max aftrek kinderen daalt);
  • Schenken op papier (vordering kinderen hoger belast);
  • Vakantiewoning (geen opbrengst) met lening (toch box 3).

 

Peter Seuren

Partner Family Capital Trust